Het is over
Het was de snoeshaan met het smerige lachje. Mijn handen begonnen te trillen toen ze aan kwam lopen. Als een verwaande mannequin liep ze naar de wc’s. Verbeten telde ik tot twintig. Eerst langzaam: een, twee, drie, vier. Toen sneller: twaalfdertienveertienvijftien. Bij twintig stond ik op en nam de bezem mee. Ik klemde hem stevig vast tussen deur en klink.
Er klonk geschreeuw uit het wc-hokje. Geschreeuw dat overging in hysterisch gejammer. Ik begon opnieuw te tellen. Wanneer zou de volgende klant komen? Ik was bij negenendertig toen iemand voorbij rende.
Ben, de slissende manager, zegt dat het over is. Dat ik beter een andere baan kan zoeken.
Thuis belde ik mijn moeder. Bij het horen van haar stem liet ik mijn tranen gaan.
Het was alsof ik viel. Alsof iemand eindelijk het duwtje had gegeven waar ik al zo lang op wachtte.
‘Rustig maar meisje’, zei mijn moeder. ‘Ik kom eraan’.
Ze komt eraan.
Jongen
Een jongen trok zich af op de wc. Ik wist het zeker. Ik stond in de deuropening van de toiletruimte en had mijn oren gespitst. Het waren zachte, ingehouden kreuntjes.
Eerst maakte ik me druk over de rotzooi die het zou geven. Maar hoe langer ik er naar luisterde, hoe meer het me opwond.
Tot ik bij zinnen kwam en weer op mijn plek ging zitten. Ik vroeg me af wie zich betrapt zou moeten voelen als ik was blijven staan. Hij of ik.
Even later kwam de jongen naar buiten. Hij had al betaald.
Ik durfde hem niet aan te kijken.
Rotdag in twee delen
Het was een rotdag. Eerst was er de diefstal.
Ik zorg altijd dat ik mijn schoteltje om de zoveel tijd leeg maak, want je weet nooit wat voor mensen er op je wc’s komen. Dit keer was ik te laat.
Het gebeurde tijdens het eerste stormuur. Er was drukte op de wc’s en in de gang. De dief kwam waarschijnlijk terug van de wc samen met een aantal anderen. Ik denk dat hij of zij een beweging met de hand heeft gemaakt alsof je geld neerlegt, maar in werkelijkheid het schoteltje leeghaalde. Ik las een tijdschrift en had het niet meteen in de gaten. Pas toen ik opkeek ontdekte ik wat er aan de hand was. Dat moet waarschijnlijk een paar minuten later zijn geweest.
Ik heb Ben, de slissende manager, op de hoogte gebracht, maar hij zei dat hij niets kon doen omdat ik niet precies wist hoe de persoon er uit zag. Ik heb besloten om niet meer te lezen tijdens mijn werk. Of in elk geval niet tijdens de stormuren.
Niet lang daarna paradeerde de bepoederde snoeshaan van vrijdag langs. Ze was me weer aan het uitdagen met dat smerige lachje op haar gezicht. Ik dacht: stik, ik zeg niks trut. Helaas, dat laatste woordje zei ik per ongeluk hardop.
Ze draaide zich om.
‘Had je het tegen mij?’
‘Nee.’
‘Volgens mij had je het tegen mij.’
Ze zei het op een zo’n vreselijk intimiderend toontje. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik wilde sorry zeggen om er van af te zijn, maar er kwamen andere woorden uit mijn mond.
‘Je hebt niet betaald.’
‘Dat is wel waar!’
Met grote stappen liep ze weg.
Even later kwam Ben. Hij zei dat hij me geloofde, dat de snoeshaan niet betaald had, maar schelden kon toch echt niet.
‘De klant…’
‘Is koning’, vulde ik aan.
Maar ik zei dat het steeds erger werd, dat er steeds minder mensen betaalden.
Ben: ‘Doe er dan wat aan.’
Zucht.
Een beetje lam op de bank tv zitten kijken
Met dit prachtige weer nog wel. En ik keek een dvd die ik van Arno had geleend: ‘Ober’ van Alex van Warmerdam. Best de moeite waard. Over een acteur die bij zijn scriptschrijver aanklopt en vraagt of zijn leven geen gelukkige wending kan krijgen.
Op sommige momenten zou ik dat ook wel willen. Even aankloppen bij iemand en dat ik daarna weer gelukkig ben.
Ideaal toch?
Nou ja, in de film werkte het zo niet.
De gouden regel van het plassen
Een binnenpretje. Ik bedacht me dat het maar goed is dat niet iedereen de gouden regel van het plassen kent. De regel gaat als volgt: wie zijn plas zo lang mogelijk ophoudt, hoeft in de uren nadat hij is geweest niet meer zo vaak. Vooral bij het stappen is dit een beproefd concept. Als ik bij voorbeeld om negen uur begin te drinken, probeer ik pas om elf uur naar de wc te gaan.
Maar het is dus maar goed dat niet iedereen deze gouden regel hanteert. Dan zou ik veel klanten mislopen.
Een jongen stond voor mijn tafeltje en zei dat de wc er picobello uitzag. Pi-co-bel-lo. Hij zei het met een Italiaans accent, terwijl hij een oer-Hollandse, bleke, blonde kop had. Hij vroeg of ik hier al lang werkte.
‘Nog niet zo lang,’ zei ik.
‘O, daarom had ik je nog niet opgemerkt!’ Hij gaf me een knipoog.
Op zich leek hij leek me wel aardig, maar net iets te glad. Het gebeurt wel vaker dat ze met me flirten, maar deze kwam wel heel snel ter zake. Zonder het te vragen, haalde hij een pen en papier uit zijn jaszak en schreef zijn nummer op. Hij vroeg of ik hem wilde bellen. Nou ja zeg. Ik ben bang dat ik hem ga bellen als ik met een paar vriendinnen in een melige bui ben. Waarschijnlijk onder invloed van alcohol. Eigen schuld, meneer Pi-co-bel-lo.
Over bellen gesproken, ik had zojuist een goed gesprek met mijn moeder. Het ging over welk waspoeder ik gebruik, over wanneer ik een afspraak heb met de tandarts, over de aanbiedingen bij de Albert Heijn, over haar nieuwe schoenen, over het alsmaar groeiende onkruid in haar tuintje. Het ging over alles behalve mijn leven en daar was ik erg blij mee.
Snoeshaan en wc-rol
Ik voelde me beroerd vanmiddag. Een bepoederde snoeshaan met een minirokje en hoge laarzen liep nadrukkelijk langs me heen. Ze wilde gewoon dat ik er iets van zei, maar ik hapte niet toe. Ik had daar ook totaal geen zin in. Ze keek nog even om, met een smerig lachje. Ik kolkte van binnen.
Vanmorgen ontdekte ik bij de heren een grappig kunstwerk. Ik moest er keihard om lachen. Iemand had een wc-rol helemaal afgerold in de toiletruimte en het over de hokjes heen gehangen. Het zag er heel feestelijk uit. De mannen die net na mij binnenkwamen, stonden te grinniken. Ik heb het toch maar opgeruimd.
Stormuren
De mens is een machine. Dat merk ik elke dag. Iedereen moet tegelijkertijd naar de wc, daar kun je de klok op gelijk zetten. Na jaren ervaring ken ik de spitsuren die ik liever ‘stormuren’ noem, dat dekt de lading beter.
Soms heb ik het gevoel dat mensen elkaar aansteken met hun hoge nood, net zoals vrouwen in xc3xa9xc3xa9n huis tegelijkertijd ongesteld zijn. Maar zo zal het bij hoge nood wel niet werken. Het heeft er misschien iets weg van, maar ik geloof niet dat het hetzelfde is. Zelf zoek ik in de rustige uren een wc-hokje op. Bijvoorbeeld tussen half 2 en half 3. Dat is altijd goed. Daarvoor moet ik het wel extra ophouden, want ook mijn klok loopt af tijdens het stormuur.
Vandaag heb ik een een schaal met toffee’s op tafel gezet, getipt door mijn lieve lezers. Een aantal klanten reageerde zeer positief. Niet zo zeer vanwege het papiertje, maar gewoon het snoepje zelf. Toch waren er weer veel die me straal voorbij liepen. Ze doen alsof ik er niet ben. Ik vind dat zo ontzettend vervelend. Af en toe zeg ik er wat van. Dan betalen ze wel, slechts een enkeling doet alof hij doof is. Maar dat terugroepen vind ik bijna nog vervelender dan dat er niet betaald wordt.
Vrij
Ik wist dat ik niet zomaar een dag vrij kon vragen. Er was geen vervanger, dus zou Ben, de slissende manager, automatisch ‘nee’ zeggen. ‘Dat moet je drie maanden van tevoren melden’, zou hij streng zeggen. Daarom vroeg ik geen vrij. Ik meldde me ziek. Ik belde Ben op en zei met een hese stem dat ik me beroerd voelde. Hij was wonderwel niet achterdochtig.
‘Och Szzztella toch. Kruip maar szzznel onder de dekenszzz. Dan zzzie ik je morgen hopelijk weer.’
Aan zijn stem te horen, meende hij dit echt.
Ik ging winkelen met tante Wanda, de jongste zus van mijn moeder. We hadden niet de beste dag uitgekozen, maar Wanda kon alleen vandaag. Bij een tweedehandswinkeltje kocht ik een prachtig houten tafeltje. Het was een heel gesjouw, maar ik ben in mijn nopjes. Hout is het helemaal, mijn huisje staat er vol mee!
In een eetcafxc3xa9 sprak ik met Wanda over de relatie met mijn moeder. Ik vertelde haar over de fase waar mam zich in bevond. Tenminste, dat ik hoopte dat het een fase was en dat die ooit over zou gaan. En ik vertelde dat ik wist dat ik erg bot tegen mam ben, maar dat komt ook door haar en omdat ik het moeilijk vind om van houding te veranderen. Nadat ik het een en ander had opgebiecht, vroeg Wanda of ik mijn werk nog leuk vond. Ze zei het op een hele andere toon dan mijn moeder. Ik zei dat ik twijfelde. Nu is het nog leuk, maar ik hou het geen tien jaar vol, zoals mam pas vroeg.
We bestelden nog een capuccino.
Vrouw bij de heren
Er stond een vrouw bij de heren-wc’s. Met haar handen over elkaar wachtte ze voor een deur met een rood vlakje onder de klink. Het duurde een hele tijd. De mannen die een voor een binnenkwamen, schrokken van haar. Aan hun lichaamstaal was te zien dat ze zich ongemakkelijk voelden. Ze durfden niets tegen haar te zeggen.
Toen er vijf mannen achter haar stonden te wachten, ontdekte een van hen dat de deur naast de deur waar de vrouw voor stond niet op slot was. Hij aarzelde een moment, maar stapte vervolgens op de vrije wc af. De andere vier waren stomverbaasd, je zag het aan hun gezichten. Echter niet voor lang. De deur waar de vrouw voor wachtte, ging langzaam open. Er verscheen een klein manneke van een jaar of drie, met rode krullen.
‘Kom Sven, even je handjes wassen.’
Ik stond in de deuropening. De vrouw en ik lachten naar elkaar.
Vanavond was ik in de bieb en zag ik een man die regelmatig op mijn wc’s komt. Het was vreemd. Hij liep gewoon. Gewoon gewoon. Als ze bij mij komen, maken ze vaak een huppeltje omdat ze in nood zijn. Als ze weggaan, wandelen ze heel soepel en traag. Dan zijn het de gelukkigste mensen ter wereld. Of eigenlijk de op-een-na-gelukkigste mensen ter wereld. De gelukkigste mensen ter wereld waren ze vlak daarvoor, toen ze hun pijnlijk, volle blaas leeg lieten lopen.
Deze man liep met een paar boeken onder de arm. Heel normaal. En dat vond ik raar.

